‘Harlequinesque’ machinegebreide kleutertrui voor mijn klein clowntje

Ik had me voorgenomen meer te gaan breien voor mijn gezin. Dat hoeven daarvoor geen technische hoogstandjes zijn. Onder het motto “oefening baart kunst” maar ook als een redmiddel om alle wol die onze zolder vult een doel te geven.

Moet er nog wol zijn?!

Het plan is om te vertrekken van een basic modelletje en hierop steeds verder te gaan door verbeteringen/aanpassingen/decoraties/technieken aan te brengen of toe te passen.

Bij Bart & Francis scoorde ik in november 2 conen fijn garen met een leuk verloopje in. Onder de welklinkende naam “Harlequinesque” kocht ik deze bobijntjes voor slechts 2,50€ / stuk. Ideaal als “oefening”. #hetmoetvanniethoogvallen

(Helaas pas achteraf gezien dat het al “bucht” is waarvan het garen is gemaakt, dat verklaart natuurlijk de prijs.)

Land wool… Zou er ook wol onder water bestaan misschien?!

Je staat te popelen om iets te maken maar dan moet je eerst nog door de proeflapjesfase worstelen. Je slaat dit best niet over (ik zou ook niet weten hoe je tot een deftig kledingstuk zou komen zonder) maar het is wel niet de leukste fase.

Proeflap dus. Ik breidde lapjes tot ik tevreden was van de steekgrootte, dichtheid, structuur… Aangezien ik al had besloten te breien in tricot/jersey en geen siersteek was ik hier snel door.

Door te tellen hoeveel steken en hoeveel rijen er op 10 cm zitten weet je de verhouding van je proeflapje. Ik nam de maten op van een bestaand truitje van mijn dochter en rekende de centimeters om naar steken en rijen aan de hand van de uitkomst van de proeflap.

Klinkt het retesaai? Eigenlijk wel, hè. En toch is het een rekensommetje dat ik graag maak. De regel van drie, begod. Dat had de middelbare-school-Fem waarschijnlijk nooit gedacht!

Middelbare-school-Fem. Those were the days, my friend!

Ik herleidde het “patroon” tot een very basic modelleken. Recht-recht-recht. Het achterpand is gewoon een rechthoek met een boordje. Het voorpand, idem maar met een halsuitsnijding. En de mouwen zijn trapezia (hup, daar heb je wéér die wiskunde).

Voor de berekening van de meerdering van de mouwen gebruik ik trouwens altijd dezelfde tool, nl. The Magic Formula Calculator. Easy-peasy, soms laat ik de wiskunde aan een ander over 😉

Maar goed, alle lappen zijn gebreid. Ik breidde apart de halsboord en haakte deze aan het geassembleerde lijfje. Nègh, klaar.

En dan, evaluatie! Ben ik content? Bwoa. Ben ik content genoeg voor een eerste proefversie in een serie van oplopende successen? Jup!

Er zijn zeker werkpuntjes. Zoals, de proeflap. De boekskes zeggen dat ik zeker 100 steken en 100 toeren moet doen. En ik doe dat niet. Waarom? Het lijkt me teveel nutteloos werk en jammer van mijn garen. Stoem natuurlijk hè. Mijn eerste voorpand mocht ik gelijk weer aan de kant leggen, ik zag onmiddellijk dat dat veel te smal was.

En ook, ik waste mijn proeflap niet. Ik liet het enkele dagen liggen voor ik de maten opnam maar dat is niet genoeg. Ik sla mezelf dan wel weer voor de kop als het truitje gekrompen uit de wasmachine komt.

What else?! Mijn boordje krult weer om. De volgende keer, doe ik na het overhangen van het boordje een toertje CX/CX rondbreien. Schijnt te helpen voor het opkrullen.

Boordje krult om, zelfs na persen/blocken.

Pleanty of werk on the winkel dus. Niets mega ingrijpends, mijn dochter heeft er een vrolijk truitje bij en mijn tijd is ook weer gepasseerd. ‘k Heb er toch zoveel over #ohtheirony

Het deed me ook weer denken aan de aanschaf van een overlock machine. Het dichtnaaien van een stuk van fijn garen is echt een huzarenwerkje als je dat ietwat deftig wil doen. Echt, ik ben meer bezig met toenaaien dan met effectief breien 😳

Time goes by… And ***BAM***, twee maanden later en de tweede mouw zit er ein-de-lijk (naast wiskunde onderhoud ik ook mijn taal en spelling 😀 ) in!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *